|
N I E U W ISBN: 9789493292406 Uitgegeven bij Witsand, 2026 |
Kenzo leeft in een moeilijke familiale omgeving. Hij heeft een moeder die vaak dronken is, en een bruut van een stiefvader. Hij wordt meestal opgevangen door zijn lieve tante, Jamine. Hij heeft geen grootouders, en daarom besluit zijn tante voor hem een opa in te huren.
Gustaaf, een weduwnaar die met pensioen is, voelt daar wel wat voor. Hij beslkuit Kenzo's huuropa te worden. Gustaaf is een bijzondere man en de kennismaking vormt dan ook het begin van spannende avonturen. Wanneer op een dag Jasmines winkel in brand wordt gestoken, begint Kenzo samen met zijn huuropa aan een zoektocht naar het ontbrekende deel van zijn familie. De zoektocht leidt hen onder meer naar Parijs. Zullen ze daar Kenzo's vader en grootouders vinden? En zullen ze er zo uiteindelijk ook achter komen wie het op Jamines winkel had gemunt? |
een teaser om te starten
hoe het begint
hoe het begint
Onverbiddelijk springen de wijzers van de klok aan de muur op zes uur. Gustaaf had de secondewijzer enkele minutenlang nauwkeurig gevolgd en slaat nu zijn lederen map waarin zijn papieren met berekeningen worden bewaard dicht, en zucht. Hij zucht diep. De allerlaatste maal dat hij deze map sluit. Jarenlang was achttien punt nul nul uur het signaal om de boeken te sluiten, om het einde van de dag te verwelkomen en het kantoor van de firma Kooymans & Co goedenacht te wensen. ‘Tot morgen, bureau!’ Maar vandaag niet. Nu is het ‘Tot nooit meer, bureau!’ Nooit zal hij nog op deze krakende stoel zitten, naar dit versleten bureaumeubel kijken, naar de koffiemachine lopen die het meestal niet behoorlijk doet. De voorbije dagen had hij de lades al leeggemaakt, zijn persoonlijke spullen in een kartonnen doos ingepakt en mee naar huis genomen. De eigendommen van de firma – een reken- en een nietjesmachine, een potloodslijper, een set potloden voor die slijper, een stapeltje blanco papier en enkele enveloppes, een woordenboek Frans-Nederlands dat hij nooit had geraadpleegd, waarom lag dat eigenlijk al tweeënveertig jaar onaangeroerd in zijn lade? Misschien omdat hij dacht als gewezen Brusselaar voldoende Frans te kennen? – had hij ordentelijk op de hoek van zijn bureau gelegd, zodat een opvolger alles meteen zou kunnen terugvinden. Er is geen afscheidsfeestje voorzien. ‘Mijn pensioen is een begrafenis,’ had hij gezegd, ‘en moet niet gevierd worden.’ Er was ook niemand gedag komen zeggen: de baas niet, de collega’s niet, de poetsvrouw Maartje niet, ook al had hij de laatste jaren veel babbels met haar gehad, en veel gelachen.
Gustaaf Goesmans blijft enkele tellen langer zitten dan al die andere dagen om achttien uur en kijkt nog eens rond. Een laatste blik. De plaatsen op de muur waar de foto’s hingen die hij gisteren had weggenomen, zijn nog mooi afgetekend door de kleurveranderingen van de verf. Op de vensterbank staan vier plantjes waarvan hij de naam niet kent, ze hebben dringend water nodig, maar dat is zijn zorg niet meer. Het barstje in de vensterruit is al enkele jaren hetzelfde gebleven. De baas vond het niet nodig een nieuwe ruit te laten plaatsen, wie heeft daar nu last van?
Gustaaf neemt zijn map in beide handen. Het is zijn persoonlijke map, van bruin leder, en nu erg ontsierd door krassen en stukjes leder die los waren komen zitten. Hij had het ding zeventien jaar geleden cadeau gekregen voor zijn vijftigste verjaardag. De vader van de huidige baas, de heer Kooymans sr. zelf, was het cadeau komen afgeven en zijn piepjonge secretaresse had hem drie zoenen gegeven. Senior was al lang uit het bedrijf verdwenen, de secretaresse niet. De map ook niet. Elke dag ging het ding mee naar huis. De berekeningen bleven erin zitten. Maar vandaag bevat de map wat anders. Enkele dagen geleden had Gustaaf zijn werk afgerond en afgeleverd, en sindsdien houdt hij zich onledig met het oplossen van kruiswoordraadsels, sudoku’s, en andere spelletjes die hij uit de krant had geknipt. Gustaaf is geen voorstander van een elektronische krant, hij wil het papier voelen, de inkt ruiken en elke bladzijde eigenhandig kunnen omslaan, genietend van het unieke krantengeluid. Overal ter wereld heeft krantenpapier een eigen klankkleur, verschillend van welke geluidsbron dan ook. Daarom koopt hij elke ochtend een dagblad bij een kiosk op de hoek van de straat. Er zitten tientallen geheel of gedeeltelijk afgewerkte spelletjes en raadsels in zijn map. Ze gaan voor altijd mee naar huis.
Achttien uur en vier. De nu officieel gepensioneerde bediende van Kooymans & Co staat op en loopt naar de deur. Hij is niet groot, maar ook niet klein. Zijn hoofd is kalend, maar heeft nog genoeg haar om met veel gel naar achteren te kammen. Zoals elke dag draagt Gustaaf een wit hemd met een te lange das en zijn grijs kostuum, dat op maat gemaakt schijnt te zijn voor iemand die vele maten breder en omvangrijker is dan hij. Het pak zit veel te ruim sinds hij twee jaar geleden misschien wel veertig kilo’s ongewild is kwijtgespeeld, maar hij weigerde al die tijd het te vervangen. Hij neemt de klink in de hand, draait zich nog even om voor een allerlaatste blik op zijn veertigjarig territorium, veegt een traan die over zijn wang rolt weg en trekt de deur open.
Gustaaf schrikt zich een ongeluk. ‘Happy pension to you, happy pension to you, happy pension dear hmhmhm, happy pension to you...!’ galmt het door de gang. Meneer Kooymans jr. en zijn secretaresse, alle collega’s en de poetsvrouw staan in een halve cirkel voor zijn deur en zingen uit volle borst. Ze hadden zich enkele minuten eerder in alle stilte opgesteld en zijn buitenkomst in spanning afgewacht. De secretaresse had met een armbeweging teken gedaan dat het zingen nu moest beginnen. Er volgen nieuwe tranen, Gustaaf weet niet wat hem overkomt. Hij voelt zijn benen trillen, hij wil glimlachen, maar de verrassing verkrampt zijn spieren. Hij kijkt van de ene collega naar de andere. Na de zang neemt meneer Kooymans het woord.
‘Beste meneer Goesmans, het doet ons pijn om zo een trouwe werkkracht als u te moeten laten gaan. Ons bedrijf zal eronder lijden.’ De baas had van zijn vader geleerd om alles extreem te overdrijven, goede en slechte dingen. ‘En om onze pijn nog wat te rekken, nodigen wij u uit om in de kantine nog een glaasje bubbels te komen drinken en een stukje taart te eten.’ De secretaresse ziet dat Gustaaf het moeilijk heeft en loopt naar hem toe. Ze steekt haar arm onder de zijne en trekt hem mee met de luid pratende groep richting kantine.
Enkele tafels zijn overtrokken met wit papier. Op de ene staan flessen cava met bijbehorende glazen, op een andere staan vlaaien met borden en bestek. Alsof de meute uitgehongerd is, worden stukken taart haastig opgeschept en rondgedeeld, de glazen zijn in een mum van tijd volgeschonken. Gustaaf krijgt er een in de hand geduwd. De secretaresse vraagt met een brede glimlacht ‘ananas of appel?’ maar het feestvarken is nog niet neergedaald op aarde en kijkt haar niet begrijpend aan. ‘Welke taart wil je, ananas of...’ verduidelijkt ze haar vraag. ‘O, appel is goed,’ hoort Gustaaf zichzelf zeggen, en hij zoekt een oplossing voor het probleem dat hij maar twee handen heeft voor zijn map, een glas, een bordje en een vork. Hij wil zijn lederen bezit niet neerleggen, stel dat iemand erin kijkt en zijn activiteiten van de laatste dagen ontdekt... Dus neemt hij een flinke slok, zet het glas op een tafel, houdt de map horizontaal en plaatst daarop het bordje. De vork laat hij ernaast liggen en neemt de appeltaart in de hand. Door deze elegante oplossing voor een dringend probleem, moet hij glimlachen, verdwijnt zijn kramp en wordt hij nu volledig bewust van wat er gebeurt. Hij wordt gevierd!
Na enkele minuten schijnt het feest al afgerond te worden. Meneer Kooymans jr. stapt met uitgestrekte hand op hem af. ‘Zo, beste meneer Goesmans, ik moet dringend verder werken.’ Hij neemt een enveloppe uit zijn binnenzak en geeft die aan het feestvarken. ‘Hier, een afscheidscadeau van de firma, geniet er maar van. Ik wens u een gelukkig en vruchtbaar pensioen. Bedankt voor uw werk hier.’ Gustaaf moet nu toch alles op een tafel plaatsen om de hand te kunnen schudden, en met een mond vol appeltaart probeert hij ‘dank u wel’ te zeggen, en ‘het was me een genoegen hier te mogen...’ maar de baas is al verdwenen. Hij ziet de ene na de ander collega zijn glas ad fundum leegdrinken en nog een halve spie taart in de mond persen om ook het zaaltje te verlaten. Sommigen komen nog even herkauwend zijn hand drukken. Ook de secretaresse komt snel afscheid nemen. ‘Het spijt me enorm, maar ik moet mijn baas volgen. Kom nog eens gedag zeggen, hé! Veel succes, Gustaaf!’
Zo blijft hij om achttien uur en achttien minuten nog alleen achter met Maartje, de poetsvrouw. Zij moet alle restanten van het feest wegwerken, morgen moet dit weer een gewone kantine zijn. Maar ze blijft vooral nog wat hangen om een laatste – allerlaatste? – babbeltje met hem te slaan. Hij kijkt even in de enveloppe en schrikt van het grote bedrag dat op de cheque geschreven staat.
‘Wat ga je nu doen, Gustaaf, met je verdere leven? Je gaat toch niet van ’s morgens tot ’s avonds kruiswoordraadsels oplossen, hé?’ en ze lacht met haar onschuldige grapje.
‘Ik weet het nog niet, Maartje, maar misschien wel sudoku’s...’ waarop ze beiden moeten lachen. ‘Ik ga een bezigheid zoeken. Je hebt gelijk, na mijn dagelijkse berekeningen en spreadsheets moeten mijn dagen met iets anders worden gevuld. Ik zal natuurlijk veel blijven lezen. Ik koop massa’s boeken en ontleen er evenveel in de bibliotheek, alles over wetenschappelijke en historische onderwerpen. Ik ben ook geabonneerd op ernstige tijdschriften, en kan moeilijk een artikel links laten liggen. Soms blijf ik uren in de nacht doorlezen.’
‘Aha,’ zegt Maartje, ‘daarom kon u altijd zoveel zaken verklaren. Ik dacht al dat u had doorgeleerd en ingewikkeld onderwijs had gevolgd, aan een universiteit of zo, en ik begreep niet waarom u dan toch in dit bedrijf was beland. Maar nu zie ik dat u een gedreven studiekopje hebt. Dat moet u inderdaad houden!’
‘Dat doe ik zeker. Maar misschien zal ik me nog meer toespitsen op mijn vrijwilligerswerk.’ Maartje kijkt hem aan met ogen waarin vraagtekens weerspiegelen. Dus gaat hij verder.
‘Wel, daarover heb ik je vroeger eens gesproken, niet? Ik doe vrijwilligerswerk op het kerkhof. Ik zorg er mee voor dat het oord van eeuwige rust pico bello onderhouden is. Ik ben ermee begonnen toen mijn vrouw daar twee jaar geleden is bijgelegd.’ Gustaaf moet even diep ademhalen en de andere kant opkijken. ‘Ik hou de graven schoon, ik wied onkruid, ik veeg het vuil van de zerken... noem maar op. Maar ik sla ook vaak een babbeltje met een eenzame vrouw of man die voor een graf staat te praten, te mijmeren of te snikken. Dan ga ik er naast staan, en vertel waar mijn vrouw begraven is, dat ik de pijn begrijp en ook eenzaam ben... Ze hebben vaak maar heel even aandacht nodig om weer verder te kunnen. Ik heb er al veel tranen doen opdrogen, maar ook zelf veel laten vloeien. En eerlijk gezegd, van dat schoonhouden is de laatste tijd steeds minder overgebleven, ik ga vooral naar het kerkhof om mensen te troosten. Het geeft me een goed gevoel, het ontspant me.’
‘Dat is heel mooi van jou. Je bent een goed mens. Ik zal je echt missen, Gustaaf, niet zoals de baas of de andere pipo’s hier, die doen alsof ze je zullen missen. Eh... mag ik je nog iets zeggen? Ik ben geen psycholoog of filosoof of wat dan ook, ik ben maar een gewone poetsvrouw, maar ik weet één ding zeer goed: vergeet niet van het leven te genieten, blijf niet hangen bij je verdriet, zoek een bezigheid naast je kerkhofdinges en stel je minstens één groot doel in je leven. Er komen nog vele jaren die je aangenaam moet vullen. Niets moet meer, je doet datgene wat je leuk vindt, maar onthoud wel een ding: wees niet eenzaam, maak vrienden en bouw relaties op, je wint daar nog een paar levensjaren mee bij. Enfin, sorry, dat is toch mijn levensfilosofie.’ Ze kijkt naar haar schoenen, een beetje verlegen dat ze zo de wijsneus heeft uitgehangen. Maar Gustaaf had ondertussen met grote ogen staan luisteren en was ietwat overdonderd door zoveel bagage.
‘Nou, Maartje, jij hebt wel veel levenswijsheid in je hoofd zitten, jij moet daarvoor helemaal niet “sorry” zeggen.’ En hij nam zich voor om ernstig rekening te houden met haar raad. Hij zal nog vele malen aan haar woorden denken.
‘Nog een glaasje? Een stukje taart?’ vraagt ze, ‘Morgen verslinden die veelvraten in vijf minuten toch alles wat overblijft in de koelkast, en het is... het was jouw feestje.’
Zo wordt het toch nog negentien uur vooraleer Gustaaf, na een warme knuffel met Maartje, het pand verlaat, de frisse avond en zijn nieuwe leven instapt.
Gustaaf Goesmans blijft enkele tellen langer zitten dan al die andere dagen om achttien uur en kijkt nog eens rond. Een laatste blik. De plaatsen op de muur waar de foto’s hingen die hij gisteren had weggenomen, zijn nog mooi afgetekend door de kleurveranderingen van de verf. Op de vensterbank staan vier plantjes waarvan hij de naam niet kent, ze hebben dringend water nodig, maar dat is zijn zorg niet meer. Het barstje in de vensterruit is al enkele jaren hetzelfde gebleven. De baas vond het niet nodig een nieuwe ruit te laten plaatsen, wie heeft daar nu last van?
Gustaaf neemt zijn map in beide handen. Het is zijn persoonlijke map, van bruin leder, en nu erg ontsierd door krassen en stukjes leder die los waren komen zitten. Hij had het ding zeventien jaar geleden cadeau gekregen voor zijn vijftigste verjaardag. De vader van de huidige baas, de heer Kooymans sr. zelf, was het cadeau komen afgeven en zijn piepjonge secretaresse had hem drie zoenen gegeven. Senior was al lang uit het bedrijf verdwenen, de secretaresse niet. De map ook niet. Elke dag ging het ding mee naar huis. De berekeningen bleven erin zitten. Maar vandaag bevat de map wat anders. Enkele dagen geleden had Gustaaf zijn werk afgerond en afgeleverd, en sindsdien houdt hij zich onledig met het oplossen van kruiswoordraadsels, sudoku’s, en andere spelletjes die hij uit de krant had geknipt. Gustaaf is geen voorstander van een elektronische krant, hij wil het papier voelen, de inkt ruiken en elke bladzijde eigenhandig kunnen omslaan, genietend van het unieke krantengeluid. Overal ter wereld heeft krantenpapier een eigen klankkleur, verschillend van welke geluidsbron dan ook. Daarom koopt hij elke ochtend een dagblad bij een kiosk op de hoek van de straat. Er zitten tientallen geheel of gedeeltelijk afgewerkte spelletjes en raadsels in zijn map. Ze gaan voor altijd mee naar huis.
Achttien uur en vier. De nu officieel gepensioneerde bediende van Kooymans & Co staat op en loopt naar de deur. Hij is niet groot, maar ook niet klein. Zijn hoofd is kalend, maar heeft nog genoeg haar om met veel gel naar achteren te kammen. Zoals elke dag draagt Gustaaf een wit hemd met een te lange das en zijn grijs kostuum, dat op maat gemaakt schijnt te zijn voor iemand die vele maten breder en omvangrijker is dan hij. Het pak zit veel te ruim sinds hij twee jaar geleden misschien wel veertig kilo’s ongewild is kwijtgespeeld, maar hij weigerde al die tijd het te vervangen. Hij neemt de klink in de hand, draait zich nog even om voor een allerlaatste blik op zijn veertigjarig territorium, veegt een traan die over zijn wang rolt weg en trekt de deur open.
Gustaaf schrikt zich een ongeluk. ‘Happy pension to you, happy pension to you, happy pension dear hmhmhm, happy pension to you...!’ galmt het door de gang. Meneer Kooymans jr. en zijn secretaresse, alle collega’s en de poetsvrouw staan in een halve cirkel voor zijn deur en zingen uit volle borst. Ze hadden zich enkele minuten eerder in alle stilte opgesteld en zijn buitenkomst in spanning afgewacht. De secretaresse had met een armbeweging teken gedaan dat het zingen nu moest beginnen. Er volgen nieuwe tranen, Gustaaf weet niet wat hem overkomt. Hij voelt zijn benen trillen, hij wil glimlachen, maar de verrassing verkrampt zijn spieren. Hij kijkt van de ene collega naar de andere. Na de zang neemt meneer Kooymans het woord.
‘Beste meneer Goesmans, het doet ons pijn om zo een trouwe werkkracht als u te moeten laten gaan. Ons bedrijf zal eronder lijden.’ De baas had van zijn vader geleerd om alles extreem te overdrijven, goede en slechte dingen. ‘En om onze pijn nog wat te rekken, nodigen wij u uit om in de kantine nog een glaasje bubbels te komen drinken en een stukje taart te eten.’ De secretaresse ziet dat Gustaaf het moeilijk heeft en loopt naar hem toe. Ze steekt haar arm onder de zijne en trekt hem mee met de luid pratende groep richting kantine.
Enkele tafels zijn overtrokken met wit papier. Op de ene staan flessen cava met bijbehorende glazen, op een andere staan vlaaien met borden en bestek. Alsof de meute uitgehongerd is, worden stukken taart haastig opgeschept en rondgedeeld, de glazen zijn in een mum van tijd volgeschonken. Gustaaf krijgt er een in de hand geduwd. De secretaresse vraagt met een brede glimlacht ‘ananas of appel?’ maar het feestvarken is nog niet neergedaald op aarde en kijkt haar niet begrijpend aan. ‘Welke taart wil je, ananas of...’ verduidelijkt ze haar vraag. ‘O, appel is goed,’ hoort Gustaaf zichzelf zeggen, en hij zoekt een oplossing voor het probleem dat hij maar twee handen heeft voor zijn map, een glas, een bordje en een vork. Hij wil zijn lederen bezit niet neerleggen, stel dat iemand erin kijkt en zijn activiteiten van de laatste dagen ontdekt... Dus neemt hij een flinke slok, zet het glas op een tafel, houdt de map horizontaal en plaatst daarop het bordje. De vork laat hij ernaast liggen en neemt de appeltaart in de hand. Door deze elegante oplossing voor een dringend probleem, moet hij glimlachen, verdwijnt zijn kramp en wordt hij nu volledig bewust van wat er gebeurt. Hij wordt gevierd!
Na enkele minuten schijnt het feest al afgerond te worden. Meneer Kooymans jr. stapt met uitgestrekte hand op hem af. ‘Zo, beste meneer Goesmans, ik moet dringend verder werken.’ Hij neemt een enveloppe uit zijn binnenzak en geeft die aan het feestvarken. ‘Hier, een afscheidscadeau van de firma, geniet er maar van. Ik wens u een gelukkig en vruchtbaar pensioen. Bedankt voor uw werk hier.’ Gustaaf moet nu toch alles op een tafel plaatsen om de hand te kunnen schudden, en met een mond vol appeltaart probeert hij ‘dank u wel’ te zeggen, en ‘het was me een genoegen hier te mogen...’ maar de baas is al verdwenen. Hij ziet de ene na de ander collega zijn glas ad fundum leegdrinken en nog een halve spie taart in de mond persen om ook het zaaltje te verlaten. Sommigen komen nog even herkauwend zijn hand drukken. Ook de secretaresse komt snel afscheid nemen. ‘Het spijt me enorm, maar ik moet mijn baas volgen. Kom nog eens gedag zeggen, hé! Veel succes, Gustaaf!’
Zo blijft hij om achttien uur en achttien minuten nog alleen achter met Maartje, de poetsvrouw. Zij moet alle restanten van het feest wegwerken, morgen moet dit weer een gewone kantine zijn. Maar ze blijft vooral nog wat hangen om een laatste – allerlaatste? – babbeltje met hem te slaan. Hij kijkt even in de enveloppe en schrikt van het grote bedrag dat op de cheque geschreven staat.
‘Wat ga je nu doen, Gustaaf, met je verdere leven? Je gaat toch niet van ’s morgens tot ’s avonds kruiswoordraadsels oplossen, hé?’ en ze lacht met haar onschuldige grapje.
‘Ik weet het nog niet, Maartje, maar misschien wel sudoku’s...’ waarop ze beiden moeten lachen. ‘Ik ga een bezigheid zoeken. Je hebt gelijk, na mijn dagelijkse berekeningen en spreadsheets moeten mijn dagen met iets anders worden gevuld. Ik zal natuurlijk veel blijven lezen. Ik koop massa’s boeken en ontleen er evenveel in de bibliotheek, alles over wetenschappelijke en historische onderwerpen. Ik ben ook geabonneerd op ernstige tijdschriften, en kan moeilijk een artikel links laten liggen. Soms blijf ik uren in de nacht doorlezen.’
‘Aha,’ zegt Maartje, ‘daarom kon u altijd zoveel zaken verklaren. Ik dacht al dat u had doorgeleerd en ingewikkeld onderwijs had gevolgd, aan een universiteit of zo, en ik begreep niet waarom u dan toch in dit bedrijf was beland. Maar nu zie ik dat u een gedreven studiekopje hebt. Dat moet u inderdaad houden!’
‘Dat doe ik zeker. Maar misschien zal ik me nog meer toespitsen op mijn vrijwilligerswerk.’ Maartje kijkt hem aan met ogen waarin vraagtekens weerspiegelen. Dus gaat hij verder.
‘Wel, daarover heb ik je vroeger eens gesproken, niet? Ik doe vrijwilligerswerk op het kerkhof. Ik zorg er mee voor dat het oord van eeuwige rust pico bello onderhouden is. Ik ben ermee begonnen toen mijn vrouw daar twee jaar geleden is bijgelegd.’ Gustaaf moet even diep ademhalen en de andere kant opkijken. ‘Ik hou de graven schoon, ik wied onkruid, ik veeg het vuil van de zerken... noem maar op. Maar ik sla ook vaak een babbeltje met een eenzame vrouw of man die voor een graf staat te praten, te mijmeren of te snikken. Dan ga ik er naast staan, en vertel waar mijn vrouw begraven is, dat ik de pijn begrijp en ook eenzaam ben... Ze hebben vaak maar heel even aandacht nodig om weer verder te kunnen. Ik heb er al veel tranen doen opdrogen, maar ook zelf veel laten vloeien. En eerlijk gezegd, van dat schoonhouden is de laatste tijd steeds minder overgebleven, ik ga vooral naar het kerkhof om mensen te troosten. Het geeft me een goed gevoel, het ontspant me.’
‘Dat is heel mooi van jou. Je bent een goed mens. Ik zal je echt missen, Gustaaf, niet zoals de baas of de andere pipo’s hier, die doen alsof ze je zullen missen. Eh... mag ik je nog iets zeggen? Ik ben geen psycholoog of filosoof of wat dan ook, ik ben maar een gewone poetsvrouw, maar ik weet één ding zeer goed: vergeet niet van het leven te genieten, blijf niet hangen bij je verdriet, zoek een bezigheid naast je kerkhofdinges en stel je minstens één groot doel in je leven. Er komen nog vele jaren die je aangenaam moet vullen. Niets moet meer, je doet datgene wat je leuk vindt, maar onthoud wel een ding: wees niet eenzaam, maak vrienden en bouw relaties op, je wint daar nog een paar levensjaren mee bij. Enfin, sorry, dat is toch mijn levensfilosofie.’ Ze kijkt naar haar schoenen, een beetje verlegen dat ze zo de wijsneus heeft uitgehangen. Maar Gustaaf had ondertussen met grote ogen staan luisteren en was ietwat overdonderd door zoveel bagage.
‘Nou, Maartje, jij hebt wel veel levenswijsheid in je hoofd zitten, jij moet daarvoor helemaal niet “sorry” zeggen.’ En hij nam zich voor om ernstig rekening te houden met haar raad. Hij zal nog vele malen aan haar woorden denken.
‘Nog een glaasje? Een stukje taart?’ vraagt ze, ‘Morgen verslinden die veelvraten in vijf minuten toch alles wat overblijft in de koelkast, en het is... het was jouw feestje.’
Zo wordt het toch nog negentien uur vooraleer Gustaaf, na een warme knuffel met Maartje, het pand verlaat, de frisse avond en zijn nieuwe leven instapt.